De gemiddelde elektriciteitsprijzen voor huishoudens zijn in de Europese Unie in de tweede helft van 2018 met 3,5 procent gestegen ten opzichte van de tweede helft van 2017. In Nederland steeg de prijs bovengemiddeld, met 9,7 procent.
Dat meldt het Europese bureau voor statistiek Eurostat. Ondanks deze stijging was de gemiddelde prijs voor elektriciteit maar tien eurocent per 100 kWh hoger dan in de tweede helft van 2015, toen een voorlopig hoogtepunt over de afgelopen tien jaar werd bereikt.
Verschillen
De prijzen voor elektriciteit verschillen binnen de EU enorm. In Bulgarije zijn burgers het goedkoopst uit met zo’n 10 euro per 100 kWh. In Denemarken, Duitsland en België is elektriciteit met prijzen rond 30 euro het duurst.
Behalve in Nederland stegen de elektriciteitsprijzen tussen de tweede helft van 2017 en de tweede helft van 2018 in Cyprus (+19,6 procent), Spanje (+13,8 procent), het Verenigd Koninkrijk (8,6 procent), Ierland (+7,8 procent) en Estland (+7,5 procent). Prijzen daalden in slechts vier landen: Letland (-4,5 procent), Polen (-2,5 procent), Duitsland (-1,6 procent) en Litouwen (-0,9 procent).
Ook het aandeel belastingen in de prijs voor elektriciteit verschilt dramatisch binnen de EU. Zo bestaat in Denemarken 64 procent van de prijs voor elektriciteit uit belastingen en heffingen. Ook in Portugal (55 procent) en Duitsland (54 procent) is het aandeel belastingen in de prijs van elektriciteit hoog. In Malta is dat slechts 6 procent.
Prijsniveau
Omgerekend naar
purchasing power standards (PPS) zijn de verschillen beter vergelijkbaar, omdat daarmee de verschillen in prijsniveaus tussen landen geëlimineerd wordt. Dan blijkt dat in Nederland (15,2 PPS) elektriciteit nog altijd relatief goedkoop is. Alleen in Finland (13,7) en in Luxemburg (13,8) is de consument nog goedkoper uit. De hoogste prijs in PPS betalen consumenten in Portugal (28,2), Duitsland (28,0), Spanje (27,4) en België (26,6) voor hun elektriciteit.