Tussen 2005 en 2014 is het aantal personenauto’s met 14 procent toegenomen. Ongeveer de helft van alle huishoudens bezit één auto, terwijl bijna een kwart twee of meer auto’s heeft. Zo blijkt uit het rapport Mobiliteitsbeeld 2016 van het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid.
Uit het onderzoek blijkt tevens dat Nederlanders steeds vaker alleen in de auto zitten. In reizigerskilometers is het autogebruik als passagier sinds 2005 afgenomen met 13 procent. Die afname geldt voor alle reismotieven en leeftijdsgroepen, behalve voor 65 plussers. De daling voor autogebruik als passagier is het sterkste bij werk gerelateerde mobiliteit.
Het autobezit is, omgerekend per 1000 inwoners, gestegen met 10 procent van 381 naar 420 auto’s per 1000 inwoners. Overigens ligt het autobezit in grote steden lager; Amsterdam telt 247 auto’s per 1000 inwoners.
Korter of langer
Iets anders is dat automobilisten, behalve met files en vertragingen ook steeds meer worden geconfronteerd met een onbetrouwbaarder reistijd, die vaak korter of langer duurt dan van tevoren verwacht. Die onbetrouwbaarheid was sinds 2010 afgenomen, maar neemt sinds 2015 weer toe. Dit wordt vooral veroorzaakt door toenemend verkeer in de spits in de Randstad en Noord-Brabant, veroorzaakt door economisch herstel na de crisis. Het reistijdverlies op het hoofdwegennet is in 2015 met 22 procent gestegen en komt vooral voor rekening van de avondspits.
De totale maatschappelijke kosten door files en vertragingen op ons wegennet zijn voor 2015 geraamd op 2,3 a 3 miljard euro (ongeveer 0,5 procent van het bruto binnenlands product). Door de aantrekkende economie en lage brandstofprijs zal het wegverkeer in 2016 groeien met zo’n 3,5 procent, is de verwachting. In de periode 2018-2021 zal de groei gemiddeld 1,5 procent per jaar zijn. Tot en met 2021 wordt de verwachte groei van het wegverkeer slechts ten dele opgevangen door uitbreiding van de wegcapaciteit.