Autodemontage neemt al snel een belangrijke plaats in in het autobedrijf annex tankstation dat Hans Klein Gunnewiek met zijn broer Jos in 1983 begint in Groenlo. Sinds 2002 is het bedrijf tevens officieel revisiebedrijf, gespecialiseerd in het reviseren van motoren en transmissies.

Voor wie naast de werkzaamheden in het autobedrijf ook al aan autodemontage doet, is de stap naar revisiebedrijf niet zo groot. Hans Klein Gunnewiek: “Gaandeweg is revisie een logische aanvulling gebleken op ons bedrijf. We hadden al wel een monteur die cilinders kon vlakken en kleppen kon maken, maar we hadden nog niet de machines om grote dingen aan te pakken. In 2002 was er een revisiebedrijf in Eibergen waar we met grotere werkzaamheden al naartoe gingen. Dat bedrijf moest toen het pand uit en toen zei de eigenaar: ‘Als jullie nog een keer een revisiebedrijf over willen nemen, is dit je kans.’ Tot dan toe werkten we met 2 revisiemonteurs. Dat werden er ineens 22. Inmiddels is de revisie-afdeling net zo groot als de demontage-afdeling.”
Vraag
Het succes van Klein Gunnewiek als demontage- en revisiebedrijf is gestoeld op de kennis van waar veel vraag naar is. Hans Klein Gunnewiek: “Garagebedrijven bellen elke dag voor onderdelen, dus je weet waar veel vraag naar is. We houden alleen op voorraad waar vraag naar is. Dat zijn in Nederland de auto’s van de VAG-groep, Renault, Ford… Als we een motor verkopen, ruilen we vaak een andere motor in. Dan kijk je of daar nog wat van te maken is en tegen welke kosten. Soms zijn het alleen een paar kleppen die stuk zijn; soms zijn het de lagers die vervangen moeten worden. Van sommige motoren zijn de onderdelen niet verkrijgbaar, of heel moeilijk, dus daar stoppen we ook weinig tijd in. En soms kun je er ook helemaal niks mee. Dan gaat zo’n motor bij het oud ijzer.”


Klein Gunnewiek beperkt zich tot personenauto’s en lichte bedrijfswagens, tot 7,5 ton. Hans Klein Gunnewiek: “Voor die grote motoren hebben we de kennis, maar ook de machines niet. En aan de gewone motoren hebben we al genoeg werk. Dan kun je beter doen waar je goed in bent.”
Personeel
Dat brengt het gesprek op de medewerkers, waar Klein Gunnewiek er best nog een paar van kan gebruiken. Hans Klein Gunnewiek: “We hebben nu drie BBL’ers lopen en daar komen er binnenkort nog twee bij. Die houden we ook bij ons totdat ze niveau 4 hebben gehaald. Mijn vrouw zit daar ook bovenop, die stimuleert ze echt om door te gaan tot dat niveau, ook al vinden ze dat wel eens moeilijk. Het is voor hun eigen bestwil, hè. Daarbij hebben we weinig verloop. Eén monteur werkt hier al veertig jaar. Het werk hier geeft ook weinig stress, in tegenstelling tot het werk in een autobedrijf, waar je je aan flat rate-tijden moet houden, factureerbare uren moet bijhouden. Hier kunnen onze medewerkers rustig aan hun klus werken tot het af is. Het probleem met extra mensen aannemen is dat je dat niet op één plek kunt doen. Dan moet je ook op andere plekken uitbreiden. Als ik een extra inkoper heb, moet ik ook een extra monteur en een extra verkoper erbij hebben, anders loopt het magazijn vol.”

Levensduur
In de markt gaan verhalen rond over sommige ‘geknepen’ motoren die al na een of anderhalve ton op zijn. Volgens Hans Klein Gunnewiek worden die verhalen wel wat overdreven. “Natuurlijk, een motor die wat over heeft, gaat langer mee dan een klein motortje. We rijden zelf met bussen rond waarvan de motoren makkelijk vijf, zes, zeven ton meegaan. Onze eerste bus, een klein viercilindertje, heeft bijna een miljoen kilometer gelopen. Je moet blijven rijden met een auto en zorgen dat de motor warm is, in goede staat blijft, het oliefilter op tijd wordt vervangen en je de goede olie gebruikt. De motor gaat stuk door een dichte radiator, of als het roetfilter of de katalysator verstopt zit. Dan wordt de motor zo heet dat hij stuk gaat, maar op zich haalt een motor de zeven ton nog steeds.”

Klein Gunnewiek
Het huidige autodemontage- en revisiebedrijf Klein Gunnewiek in Groenlo is ontstaan uit het tankstation met garagebedrijf dat Hans Klein Gunnewiek en zijn broer Jos met hun echtgenoten in 1983 oprichtten. In 1986 voegen zij daar een autodemontagebedrijf aan toe als in het dorp twee autosloperijen met hun activiteiten stoppen. Autodemontage en revisie zijn inmiddels (“een uit de hand gelopen hobby” noemt Hans Klein Gunnewiek het nu) de hoofdactiviteiten van het bedrijf, nadat aan het begin van de 21ste eeuw het garagebedrijf en het tankstation worden afgestoten.
Nadat in 2002 al een verhuizing heeft plaatsgevonden verhuist het bedrijf in 2023 opnieuw naar een nieuwbouwpand, nu aan de Zuidgang in Groenlo. Sinds enkele jaren zijn Susanne en Koen Klein Gunnewiek mede-eigenaar van en hebben zij de leiding over het bedrijf. Hun vader Hans is nog voor een derde eigenaar.
En als een motor dan eens stuk gaat, is meestal de cilinderkop de oorzaak van de ellende, reden waarom Klein Gunnewiek cilinderrevisie als apart specialisme vermeldt. Hans Klein Gunnewiek: “In 70 tot 80 procent zit het probleem in de cilinderkop, pas daarna komen de lagers, de zuigers, de krukas… Meestal is de cilinderkop oververhit. Als je die kunt vervangen en het onderblok is nog goed, dan ben je voor de helft van het geld al geholpen.”
Een andere specialisatie vormen de versnellingsbakken. Daar zit het probleem met name in de lagers. Hans Klein Gunnewiek: “Die lopen doorgaans geen vier, vijf ton. Een bak is vaak met twee, tweeënhalf ton wel op, en soms nog wel eerder. Zo werkt Volkswagen nog met klinknagels in de bak. Die koppen trillen op een gegeven moment los, vallen dan onderin de versnellingsbak en slaan een gat in de bak. Als je hem repareren moet, dan moet dat met bouten. Waarom ze die bakken dan zelf niet met bouten maken, daar zal wel een visie achter zitten.”
Elektronica
Het gros van het revisiewerk wordt bepaald door motoren en transmissies, zowel handgeschakeld als DSG-bakken. Hans Klein Gunnewiek: “We hebben zes medewerkers die de bakken doen. Twee, drie monteurs zijn gespecialiseerd in de revisie van cilinderkoppen. Nog eens drie, vier doen de motoren zelf en dan zijn er nog enkele monteurs die flexibel inzetbaar zijn. Daarnaast werken er nog vijf in het magazijn.”

Traditioneel is de motor het kostbaarste onderdeel van een auto, maar de laatste tien jaar begint dat te verschuiven richting de elektronica. Hans Klein Gunnewiek: “Je hebt al koplampen die vijfduizend euro kosten. Een dashboard met navigatie, daar zit voor een kapitaal aan elektronica in. Dat vereist van onze monteurs ook dat ze zich op andere terreinen gaan bekwamen, minder mechanisch, meer elektronisch. Diesel wordt al steeds minder en het zal nog wel vijftien, twintig jaar duren voordat de laatste van de markt is verdwenen, maar over tien jaar al denk ik dat de helft van het revisiewerk bestaat uit elektronica.”
Schadeherstel
Actueel is een rapport van schadeherstelnetwerk Schadegarant, dat de mogelijkheden van gebruikte onderdelen in de door verzekeringsmaatschappijen gestuurde schadestroom onderzoekt. Hans Klein Gunnewiek heeft daar zijn bedenkingen bij. “Dertig jaar geleden heeft Achmea al eens zoiets geprobeerd, met de zogeheten ‘groene polis’. Het moeilijke daaraan is dat de meeste schades aan de voorkant zitten. Bij demontageauto’s zijn de frontdelen dan ook meestal beschadigd.
‘Over tien jaar bestaat de helft van het revisiewerk uit elektronica.’
Goede frontdelen zijn bijna onvindbaar. Een achterklep of een portier is bij een demontagebedrijf nog wel aan te komen, maar een koplamp, een bumper, een grille, daar kun je soms lang naar zoeken. En ondertussen zit het schadeherstelbedrijf te wachten op dat onderdeel, dus ik denk dat dat een heel moeilijk verhaal is. Het zou helpen als er meer schadeauto’s richting de demontagebedrijven gaan. Hierdoor neemt het aanbod van gebruikte onderdelen toe. Nu is het zo dat een verzekeringsmaatschappij een veel hoger bedrag krijgt als een schadeauto in de handel blijft dan wanneer hij naar een demontagebedrijf gaat. Ik zeg niet dat alle handelsauto’s gedemonteerd zouden moeten worden, maar er zitten er bij die op randje zitten. Verzekeringsmaatschappijen zien dat probleem zelf ook wel, ze moeten er alleen nog anders over gaan denken. Misschien dat over vijf of tien jaar de tijd daar wel rijp voor is.”